Alle berichten door geertovermars

Masterscriptie

Na ruim een half jaar van radio stilte op deze site eindelijk weer een berichtje! Hoewel er op deze site dus niet zo veel gebeurde, heb ik tot de kerst hard gewerkt aan mijn Stavoren onderzoek. Vlak voor de kerst was mijn scriptie eindelijk klaar! In januari kreeg ik van mijn begeleiders een mooi resultaat terug en inmiddels zijn ook alle administratieve zaken afgehandeld.

Mijn scriptie over Stavoren, en dan met name over het archeologisch onderzoek in de Stadsfenne, is online toegankelijk via de website van de Universiteit van Amsterdam. Je kunt mijn scriptie via deze link downloaden.

Mocht iemand nog vragen hebben of iets willen opmerken, dan hoor ik dat natuurlijk graag! Je kunt me hier een berichtje sturen.

 

Foto- en Filmdienst Hoogovens

Tijdens de allerlaatste week van de Stadsfenne opgraving, in oktober 1964, heeft de Foto- en Filmdienst Hoogovens foto- en filmopnamen gemaakt van de opgraving. Wat de Hoogovens daar precies te zoeken hadden is mij nog niet helemaal duidelijk. Blijkbaar had Hoogovens toen een werkgroep archeologie die aan allerlei archeologische projecten mee deden, zowel op het eigen Hoogovens terrein in Velsen als in de rest van Nederland.

22 Oktober 1964. De schaftketen van de archeologen, met op de achtergrond het kerkje van Stavoren. Op de voorgrond een andere vriend. Foto door Foto- en Filmdienst Hoogovens, nu in het archief van Tata Steel.
22 Oktober 1964. De schaftketen van de archeologen, met op de achtergrond het kerkje van Stavoren. Op de voorgrond een andere vriend. Foto door Foto- en Filmdienst Hoogovens, nu in het archief van Tata Steel.

De archeologische Werkgroep Hoogovens was in de jaren ’60 bezig met een film over archeologie, “Het verleden present”. De film werd vertoond bij verschillende gelegenheden. De film is opgenomen in kleur op een 16mm film en duurt ongeveer 20 minuten.

22 Oktober 1964. Een cameraman van de Foto- en Filmdienst Hoogovens maakt opnamen van de Stadsfenne opgraving in Stavoren. Foto uit archief van Tata Steel.
22 Oktober 1964. Een cameraman van de Foto- en Filmdienst Hoogovens maakt opnamen van de Stadsfenne opgraving in Stavoren. Foto uit archief van Tata Steel.

Een aantal foto’s van de opgraving van Stavoren en de bovengenoemde film bevinden zich in het centraal archief van Tata Steel. Eind augustus hoop ik daar eens langs te gaan om de film te bekijken. Ik verwacht dat de filmbeelden van Stavoren ook in “Het verleden present” voorbij komen! Ik ben erg benieuwd!

22 Oktober 1964. Een gezellig bord bij de schaftketen van de archeologen tijdens de Stadsfenne opgraving. Foto uit het archief van Tata Steel.
22 Oktober 1964. Een gezellig bord bij de schaftketen van de archeologen tijdens de Stadsfenne opgraving. Foto uit het archief van Tata Steel.

De gouden ring van Stavoren

Zoals ik al in een eerder berichtje schreef, zijn er een aantal vondsten van de Stadsfenne opgraving in Stavoren kwijt. Dat wil zeggen, deze vondsten liggen niet tussen de rest van de vondsten in het archeologisch depot in Nuis.

Een van die verdwenen vondsten was een gouden ring met een amethist inzet. Dit is een van de topvondsten van de Stadsfenne opgraving. In de enkele publicaties die zijn gemaakt over de opgraving wordt deze ring altijd genoemd. De ring is gefotografeerd in zwart/wit en kleur.

Een dia van de gouden ring van Stavoren. De dia is gemaakt door de ROB.
Een dia van de gouden ring van Stavoren. De dia is gemaakt door de ROB.

De ring spreekt natuurlijk nog meer tot de verbeelding omdat een gouden ring een grote rol speelt in de sage Het vrouwtje van Stavoren. In dat verhaal, gooit de rijke koopmansweduwe haar gouden ring in het water met de woorden: ‘Zomin deze ring uit de zee terugkeert, zomin zal ik tot de bedelstaf vervallen’. Niet veel later wordt de ring echter teruggevonden in een vis en de voorspelling komt uit: de rijke vrouw verliest al haar bezit en moet gaan bedelen.

Het verhaal heeft een middeleeuwse oorsprong, maar het deel over de gouden ring in het verhaal is waarschijnlijk een toevoeging uit de achttiende eeuw (zie het artikel van Klaas Zwaan in het boek Staveren o Staveren, 2002). Een ring die in een vis gevonden wordt komt namelijk wereldwijd in verhalen voor en was populair in de achttiende eeuw. Het motief is echter al bekend uit oude Griekse verhalen door Herodotus.

Met enige mailwisseling met het Fries Museum in Leeuwarden ben ik er nu eindelijk achter gekomen dat de gouden ring van de Stadsfenne opgraving daar in de collectie aanwezig is! Dat het zo lang moest duren komt omdat het Fries Museum geen informatie had over de ring, ze wisten niet dat de ring in Stavoren gevonden was. Nu zijn gelukkig de vondst en de informatie bij elkaar en kan verder onderzoek gedaan worden naar de ring.

Op dit moment weten we eigenlijk weinig over de ring. Zoals te zien op de foto heeft de ring een inzet van amethist. De ring heeft een diameter van 2,7 cm. De datering van de ring is nog lastig, eigenlijk zou er een specialist naar moeten kijken. Op basis van de context waarin de ring is gevonden denk ik dat de ring in de eerste helft van de twaalfde eeuw van iemands vinger is geglipt…

Een recent foto van de ring. Collectie Fries Museum, Leeuwarden.
Een recent foto van de ring. Collectie Fries Museum, Leeuwarden.

“… een balpot voor den dag gekomen.” … het vervolg!

Zoals ik al in mijn vorige berichtje schreef, heb ik de afgelopen dagen doorgebracht in het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis. Toen ik door de loodsen liep op weg naar de dozen met materiaal uit Stavoren, viel mijn oog op een enorme pot bovenop een stellingkast. De pot stond in een speciaal daarvoor gemaakte metalen houder en was provisorisch vastgebonden met een stuk touw. Het geheel stond een beetje wankel op een pallet.

Ik moest meteen denken aan de enorme pot die in 1927 in Stavoren was gevonden, waar ik ruim een jaar geleden al iets over schreef. Ik vroeg me toen af waar de pot uit Stavoren was gebleven… Zou dit hem zijn?

uit de Leeuwarder Courant van 30 juli 1927
Uit de Leeuwarder Courant van 30 juli 1927. De maten die in dit krantenartikel worden genoemd kloppen trouwens niet. De juiste maten zijn beschreven in “Verslag van het Fries Genootschap” uit 1927-1928. De pot uit 1927 was 1,17m hoog met een buikwijdte van 1,05m.

Michiel, een van de depotbeheerders, wist eigenlijk ook niet goed waar de pot in het depot vandaan kwam. De pot heeft daar blijkbaar gestaan sinds het depot in Nuis werd opgericht…

Het wankele geval werd héél voorzichtig met een heftruck naar beneden gehaald om de pot beter te kunnen bekijken. Er zat erg veel vuil op en in de pot. We hebben hem dus naar buiten gereden om schoon te maken met een borsteltje en een emmer water.

Voorzichtig wordt de pot vervoerd en buiten gezet.
Voorzichtig wordt de pot vervoerd en buiten gezet.
Met water en borsteltjes hebben we de pot schoongemaakt.
Met water en borsteltjes hebben we de pot schoongemaakt.

We hebben de foto uit de krant van 1927 nog eens naast de pot in Nuis gehouden… en het kan niet missen: dit is de pot die toen in Stavoren is gevonden! Een aantal details zoals breuklijnen zijn precies hetzelfde.

Zover ik weet is er geen onderzoek gedaan naar deze pot. We weten eigenlijk helemaal niks over de pot. Hoe oud is de pot? Waar is de pot gemaakt? Hoe is de pot in Stavoren terecht gekomen? De enige publicatie over de pot, naast het krantenknipsel hierboven, komt uit het Verslag van het Fries Genootschap uit 1927-1928:

“Zeer groote, regelmatig gevormde, eivormige kruik, zandkleurig. De rand ontbreekt. In de maand Juli 1927 ontgraven in de stad Stavoren naast een woning, op korten afstand van het stadshuis, aan dezelfde straat en links er van, als men er met het gezicht naar toegekeerd staat. De kruik zat dicht aan de oppervlakte en diende als regenbak. Het baksel is gelijk aan dat van ruwwandig Romeinsch vaatwerk. Deze techniek van bakken is echter, vooral in Zuidelijke landen, lang in zwang gebleven. In Friesland is deze kruik stellig niet vervaardigd. Nog hoog 1.17 M., buikwijdte 1.05 M. Afgebeeld in de Leeuwarder Courant van 30 Juli 1927, 4e blad. In bruikleen van het gemeentebestuur van Stavoren.”

De pot in het depot in Nuis. Foto door mijzelf.
De pot in het depot in Nuis. Foto door mijzelf.

Mijn docent Arno Verhoeven kon in ieder geval zeggen dat het geen middeleeuws aardewerk uit Noordwest-Europa is. Het lijkt ook onwaarschijnlijk dat het een Romeinse pot is. Mogelijk is de pot gemaakt in de vijftiende of zestiende eeuw in het Mediterraans gebied, maar om dat zeker te weten is meer onderzoek nodig.

Wat verder opvalt is dat de pot een vlakke bodem heeft en een grof baksel.

Detail van de buitenzijde van de pot. Foto door mijzelf.
Detail van de buitenzijde van de pot. Foto door mijzelf.
Detail van de binnenzijde van de pot. De grijze cement lagen zijn pogingen tot restauratie. Foto door mijzelf.
Detail van de binnenzijde van de pot. De grijze cement lagen zijn pogingen tot restauratie. Foto door mijzelf.

Aan de binnenzijde zijn wat sporen van reparatie te zien. Een aantal scheuren in de pot zijn dichtgemetseld. Dat moet toendertijd gedaan zijn door het Fries Museum in Leeuwarden, die de pot jarenlang in bezit heeft gehad.

Het verhaal is nog niet afgelopen. We zullen een aantal specialisten benaderen in de hoop meer te weten te komen over de herkomst en datering van deze pot. Dus wordt vervolgd…!

Vondsten uit Nuis

De afgelopen dagen heb ik weer doorgebracht in het Noordelijk archeologisch depot in Nuis. Deze keer heb ik een selectie van het vondstmateriaal van de Stadsfenne opgraving bekeken, samen met mijn docent Arno Verhoeven van de Universiteit van Amsterdam.

Een van de pallets met dozen vol vondsten uit Stavoren. Zo staat alles nu opgeslagen in het depot in Nuis.
Een van de pallets met dozen vol vondsten uit Stavoren. Zo staat alles nu opgeslagen in het depot in Nuis.

De eerste indruk van het materiaal dat we bekeken, heeft bevestigd wat we eigenlijk al dachten: de middeleeuwse stadsuitbreiding in de Stadsfenne is begonnen in de eerste helft van de twaalfde eeuw. Het aardewerk bestond vooral uit lokaal en handgemaakt kogelpotaardewerk en import aardewerk uit het Rijnland (voornamelijk uit de potterbakkersdorpjes Pingsdorf en Paffrath bij Keulen). Daarnaast hebben we ook wat aardewerk aangetroffen dat later gedateerd kan worden, zoals (proto)steengoed en roodbakkend aardewerk.

Een selectie van het aardewerk uit Waterput R van de Stadsfenne opgraving in Stavoren. Foto door de ROB.
Een selectie van het aardewerk uit Waterput R (vondstnummer 329) van de Stadsfenne opgraving in Stavoren. Foto door de ROB.
Vondstnummer 313. Wandfragment van een kogelpot met opvallende ingeritste lijnen. Foto door mijzelf.
Vondstnummer 313. Wandfragment van een kogelpot met opvallende ingeritste lijnen. Foto door mijzelf.

De gegevens die ik nu heb verzameld ga ik de komende weken gebruiken om de resultaten van de opgraving beter te kunnen duiden en dateren. Maar daarover later meer 🙂

Dia’s

Vorige week was ik twee dagen in het archeologisch depot in Nuis (NAD) om een stapel dia’s en een aantal dossiers met dagrapporten van de Stadsfenne opgraving in te scannen. Dat heeft zowel mooie plaatjes als nieuwe inzichten opgeleverd!

Ik moest het tot nu toe doen met alleen de veldtekeningen die gemaakt zijn tijdens de opgraving. Hoewel de tekeningen eigenlijk wel redelijk zijn, vallen er toch een paar verschillen op wanneer je de tekeningen vergelijkt met de dia’s. Zo wist men blijkbaar niet goed hoe je schuine palen moest tekenen, en sommige palen werden gewoon niet getekend.

Op de onderstaande afbeelding zie je een voorbeeld van put 1 vlak 7. Wat je ziet is de eerste generatie beschoeiingen uit de 12e/13e eeuw (met rood kader). De dia geeft een totaal ander beeld van het houtwerk dan de tekening doet vermoeden!

Links de vlaktekening van put 1 vlak 7. Rechts een dia van hetzelfde vlak.
Links de vlaktekening van put 1 vlak 7. Rechts een dia van hetzelfde vlak. Foto en tekening door ROB, in collectie van NAD.

Op andere dia’s krijg je goed beeld van de methode van opgravingen en het aanleggen van het vlak (lees: het slachtveld):

Het vlak zit vol gaten en dammen. Op de veldtekeningen was dit niet goed aangegeven...
Het vlak zit vol gaten en dammen. Op de veldtekeningen was dit niet goed aangegeven… Foto door ROB. In collectie van NAD.

Uit het dagrapport blijkt dat van de zes ‘arbeiders’ die in het veld stonden, er vier oud-vissers bij zaten die “voor het eerst achter de  kruiwagen” stonden en waarvan de gemiddelde leeftijd boven de 65 jaar was…

Vier van de 'arbeiders' op leeftijd, bezig met het vrijleggen van muurresten van de Zuiderpoort van Stavoren (late vijftiende eeuw).
Vier van de ‘arbeiders’ op leeftijd, bezig met het vrijleggen van muurresten van de Zuiderpoort van Stavoren (late zestiende eeuw). Foto juli 1964; door Gerrit Elzinga, in collectie van NAD.

Tot slot nog een mooi plaatje van de opgraving met Stavoren op de achtergrond.

De Stadsfenne opgraving met op de achtergrond een weide (tegenwoordig bebouwd) en daarachter huizen en de kerk van Stavoren. Foto door Gerrit Elzinga, in collectie van NAD.
De Stadsfenne opgraving met op de achtergrond een weide (tegenwoordig bebouwd) en daarachter huizen en de kerk van Stavoren. Foto door Gerrit Elzinga, in collectie van NAD.

De boomstamkano van Stavoren

Tijdens de laatste fase van de opgraving in de Stadsfenne werd een fragment van een boomstamkano gevonden! Het fragment bestaat uit een stevengedeelte van ongeveer 280 cm lange en 59 cm breed, met een hoogte van 24 cm. De oorspronkelijke afmetingen van de kano zijn niet meer te reconstrueren. Het is ook niet duidelijk hoe oud de kano is, mogelijk dateert de kano in de 12e eeuw, maar mogelijk is de kano veel ouder. Het fragment was slecht geconserveerd: bij het lichten viel het grotendeels uit elkaar.

Het fragment van een boomstamkano zoals die gevonden werd tijdens de opgraving. Foto gemaakt door ROB en uit de collectie van het Noordelijk Archeologisch Depot.
Het fragment van een boomstamkano zoals die gevonden werd tijdens de opgraving. De foto is gemaakt door ROB en momenteel in de collectie van het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis.

Het fragment van de kano maakt onderdeel uit van de werfconstructies uit de 12e of 13e eeuw, die werden gebouwd op de drassige oever van een klein riviertje of kreek. Zoals te zien op de foto hierboven ligt het fragment samen met een ander groot stuk hout (trouwens ook scheepshout, beneden op de foto) schuin tegen een rij paaltjes aan. Die rij paaltjes samen met het hout moest dienen als een versteviging van de werven. Na dit soort verstevigingen en diverse ophogings- en aanplempingslagen van veen en klei, kon er op de werven gewerkt en gewoond worden. De werven hadden kade’s waaraan boten konden aanleggen.

Detail van de vlaktekening gemaakt tijdens de opgraving (put 1, vlak 7). De vorm van de steven van de kano is duidelijk herkenbaar. Uit de collectie van het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis.
Detail van de vlaktekening gemaakt tijdens de opgraving (put 1, vlak 7). De vorm van de steven van de kano is duidelijk herkenbaar. Tekening door de ROB, uit de collectie van het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis.

Het fragment van de kano werd toch voorzichtig gelicht en meegenomen door archeoloog Gerrit van der Heide. Hij conserveerde en documenteerde het fragment in de werkplaats van het museum te Ketelhaven. Van der Heide heeft het fragment ook beschreven (1974; een fragment uit dat werk is hier te vinden). Interessant in de constructie van de kano is dat aan de buitenzijde van de kano een klein latje was bevestigd. Het latje zat vast met ijzeren spijkertjes. Onder het latje bevonden zich de bijeengeperste resten van wolfsklauw, een plantje dat van nature op voedselarme zandgronden, in dennenbossen en op heidevelden voorkomt. Dat is interessant, omdat een dergelijk landschap niet in de directe omgeving van Stavoren te vinden is. Dat betekent dat de kano ofwel ergens anders in gebruik is geweest, ofwel dat men wolfsklauw mee bracht naar Stavoren. Waarschijnlijk is de wolfsklauw gebruikt om een lekkage te dichten of een zwak deel van het hout waterdicht te maken. De sporen van wolfsklauw hebben namelijk de eigenschap sterk waterafstotend te zijn.

Deze bouwtekening is waarschijnlijk gemaakt door Gerrit van der Heide in de werkplaats van het museum in Ketelhaven. Bron: Beeldbank RCE
Deze bouwtekening is waarschijnlijk gemaakt in de werkplaats van het museum in Ketelhaven. Bron: Beeldbank RCE

Wat er verder met het fragment is gebeurt is mij niet bekend. Ik probeer nu te achterhalen waar het fragment is… wie weet is het wel weg gegooid… Het zou veel leuker zijn als de Staverse boomstamkano nog ergens in een depot ligt en toegankelijk is! Wordt vervolgd… Er is trouwens wel meer te zeggen over het gebruik van oud scheepshout in de constructies van havenwerken. Misschien daarover later meer… 🙂

Fondamenti del castel vecchia

Toen ik een van de kaarten uit de Robles Atlas (ca. 1572) bekeek, viel me op dat iets ten noorden van het Blokhuis de volgende tekst staat: “Fondamenti del castel vecchia“. Vertaald is dat “fundamenten van het oude kasteel”.

"Fondamenti del castel vecchia"
“Fondamenti del castel vecchia”, ten noorden van de contouren van het nieuwe zestiende eeuwse Blokhuis.

Op deze plek zou het oude blokhuis gestaan hebben, een vesting gebouwd in opdracht van Albrecht van Beieren (Graaf van Holland) in het jaar 1397. De graaf van Holland probeerde in dat jaar opnieuw de macht in Friesland te grijpen door het gebied aan te vallen (nadat de veldtocht van zijn voorganger graaf Willem IV in 1345 was mislukt). Ook de poging van Albrecht van Beieren om Friesland te veroveren mislukte. Zijn kasteel heeft niet heel lang gestaan, maar de funderingen van zijn kasteel waren blijkbaar nog zichtbaar in de zestiende eeuw.

Volgens bovenstaande kaart lagen de funderingen ongeveer 140 meter ten noorden van het zestiende eeuwse blokhuis. Zoals ook te zien op de kaart was de noordelijke haven van Stavoren toen nog relatief klein. Tegenwoordig is de haven veel groter en ligt de locatie van de funderingen onder het havenhoofd.

Locatie van de fundamenten over de huidige Top10NL kaart
Locatie van de fundamenten over de huidige Top10NL kaart

In de negentiende eeuw is de haven flink uitgebreid en uitgebaggerd. Volgens Binne Boarnstra (in zijn werk Dat olde waterrecht uit 2004, bijlage IX, voetnoot 3) zijn tijdens werkzaamheden in 1882 inderdaad fundamenten aangetroffen op die locatie. Dit moet echter 1884 en 1885 zijn.
In de Verslagen van aanleg van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen 1876 – 1887, over de jaren 1884 en 1885 met betrekking tot de aanleg van de spoorhaven in Stavoren, wordt het volgende gezegd:

1884:
“De werkzaamheden (…) wegens het vergrooten van de haven te Stavoren, het maken van het stationsterrein en het gedeelte aardebaan, benevens eenige verdere werken, werden geregeld en met kracht voortgezet, hetwelk echter niet kon verhinderen, dat voornamelijk ten gevolge van de groote bezwaren en moeilijkheden, waarmede het op de vereischte diepte brengen der haven gepaard gaat, door de aanwezigheid eener aanzienlijke en niet te verwachten hoeveelheid palen en Noordsche steen door de vertraagde opstelling van de nieuwe ijzeren zeekaap en het verkenningslicht, het werk niet op den bepaalden tijd kon worden opgeleverd. (…)
Het opruimen der steenen en palen uit de haven geschiedt door middel van baggermachines en steentangen. Eene poging om door het aanwenden van dynamiet de opruiming te bespoedigen en gemakkelijk te maken, had niet het gewenschte gevolg, zoodat dan ook al spoedig van verdere proefnemingen werd afgezien.
Ongerekend de nu eens grootere en dan weder wat kleinere hoeveelheid steen, die opgebaggerd of door steentangen verwijderd werd, werden in het laatst van het jaar op die wijze nog wekelijks 500 à 600 aaneengesloten palen ter lengte van 2 tot 5 M. en ter dikte van 0.30 à 0.60 M. over kruis gemeten uit den havenmond verwijderd.”

1885:
“Met het uitbaggeren der haven, dat nog voortdurend werd bemoeilijkt door de vele aanwezige palen en steenen, werd, voor zooveel de vorst en later het drijfijs zulks niet beletten, zooals in het laatst van Januari en het begin van Februari het geval was, krachtig voortgegaan.
Nadat eindelijk de haven op de vereischte diepte was gebracht, kon zij den 1sten April voor het publiek verkeer worden geopend, waarna onmiddellijk werd overgegaan tot het maken van den voorgeschreven afsluitdam in de oude haven.”

Bron: Archief NS, nu in het Utrechts Archief, via de website van Studiegroep Oud Staveren

Nou is het nog niet gezegd dat de genoemde palen en de “Noordsche stenen” inderdaad resten waren van het kasteel van Albrecht van Beieren. Het kunnen ook resten zijn van andere bebouwing of van oeververstevigingen uit het verleden. Het zou leuk zijn om hier eens wat dieper in te duiken. Misschien is er in het archief nog een kaart te vinden waarop de aanleg van de haven is getekend, waarop dan, hopelijk, de gevonden palen en stenen staan aangegeven… Ik zou ook wel willen weten op welke diepte de palen en stenen zijn gevonden…

Vikingen in Stavoren!

Stavoren is in ieder geval één keer geplunderd door de Vikingen. Dit gebeurde in het jaar 991, zo blijkt uit de Hildesheim Annalen. Letterlijk staat daar, onder het betreffende jaar:

Piratae etiam Staverun depredando vastaverunt aliaque in litore loca perdiderunt.
(transcriptie door George Waitz 1878)

Los vertaald staat hier zoiets als ‘de piraten verwoestten ook Stavoren om het te plunderen, net als andere plaatsen langs de kust.’.

We weten verder weinig over deze plundertocht van de Vikingen. Waar de plunderende Vikingen precies vandaan kwamen is onduidelijk. Een aantal historici zeggen dat de Noorse koning Olaf Trygvason verantwoordelijk was voor de plunderingen. Zo staat er in de Heimskringla, een verzameling saga’s opgeschreven door de 13e eeuwse IJslandse dichter Snorri Sturluson, dat koning Olaf een aantal jaar daarvoor geplunderd had in Friesland:

Olaf’s Journey from Vindland
Olaf Trygvason was three years in Vindland (A.D. 982-984) when Geira his queen fell sick, and she died of her illness. Olaf felt his loss so great that he had no pleasure in Vindland after it. He provided himself, therefore, with warships, and went out again a plundering, and plundered first in Frisland, next in Saxland, and then all the way to Flaemingjaland (Flanders). So says Halfred Vandredaskald: —

“Olaf’s broad axe of shining steel
For the shy wolf left many a meal.
The ill-shaped Saxon corpses lay
Heaped up, the witch-wife’s horses’ prey.
She rides by night: at pools of blood.
Where Frisland men in daylight stood,
Her horses slake their thirst, and fly
On to the field where Flemings lie.
The raven-friend in Odin’s dress —
Olaf, who foes can well repress,
Left Flemish flesh for many a meal
With his broad axe of shining steel.”

Plundering van Dorestad door de Vikingen. Schoolplaat tekening door J.H. Isings.
Plundering van Dorestad door de Vikingen. Schoolplaat tekening door J.H. Isings.

Een levendige  beschrijving van een plundertocht van de Vikingen in Frisia staat ook in Egils Saga; een IJslandse saga over het leven van een 10e eeuwse boer en Viking: Egill Skallagrimsson. De saga is waarschijnlijk tussen 1220 en 1240 door Snorri Sturluson geschreven. De beschrijving van Friesland in het onderstaande stuk slaat waarschijnlijk op Oost-Friesland, tussen de Wezer en Elbe (huidig Duitsland).

(Vertaling van het Oud-Noors naar het Engels door W.C. Green, 1893)

Chapter 72 – Of Arinbjorn’s harrying

(…)

But Arinbjorn and Egil with the war-ships held a southward course along the coast; then took their force still southwards to Saxland, where they harried in the summer and got wealth. As autumn came on they came back northward harrying, and lay off Friesland. One night when the weather was calm they went up a large river-mouth, where was bad harbourage, and the ebb of the tide was great. There up on land were wide flats with woods hard by. The fields were soaked because there had been much rain. They resolved to go up there, and left behind a third of their force to guard the ships. They followed up the river, keeping between it and the woods. Soon they came to a hamlet where dwelt several peasants. The people ran out of the hamlet into the fields, such as could do so, when they perceived the enemy, but the freebooters pursued them. Then they came to a second village, and a third; all the people fled before them. The land was level, flat fields everywhere, intersected by dykes full of water. By these the corn-lands or meadows were enclosed; in some places large stakes were set, and over the dyke, where men should go, were bridges and planks laid. The country folk fled to the forest. But when the freebooters had gone far into the settled parts, the Frisians gathered them in the woods, and when they had assembled three hundred men, they went against the freebooters resolved to give them battle. There was then some hard fighting; but the end was that the Frisians fled and the freebooters pursued the fugitives. The peasants that escaped were scattered far and wide, and so were their pursuers. Thus it happened that on either side few kept together.

Egil was hotly pursuing, and a few with him, after a numerous company that fled. The Frisians came to a dyke, over which they went, and then drew away the bridge. Then came up Egil and his men on the other bank. Egil at once went at the dyke and leapt it, but it was no leap for other men, and no one tried it. But when the Frisians saw that but one man was following, they turned back and attacked him, but he defended himself well, and used the dyke to cover him behind so that they could not attack him on all sides. Eleven men set on him, but the end of their encounter was that he slew them all. After that Egil pushed out the bridge over the dyke, and crossed it back again. He then saw that all his people had turned back to the ships. He was then near the wood, and he now went along the wood towards the ships so that he had the choice of the wood if he needed its shelter. The freebooters had brought down to the shore much booty and cattle. And when they came to the ships, some slaughtered the cattle, some carried out the plunder to the ships, some stood higher up and formed a shield-burgh; for the Frisians were come down in great force and were shooting at them, being also in battle array. And when Egil came down and saw how matters stood, he ran at full speed right at the throng. His halberd he held before him grasped in both hands, and slung his shield behind his back. He thrust forward his halberd, and all before him started aside, and so gat he a passage right through their ranks. Thus he dashed down to his men, who looked on him as recovered from the dead.

Then they went on ship-board, and loosed from land. They sailed then to Denmark. 

(…)

Afbeelding van Egill Skallagrímsson uit een 17de eeuws manuscript over Egil's Saga
Afbeelding van Egill Skallagrímsson uit een 17de eeuws manuscript met Egils Saga (manuscript: AM 426 fol.)

Vlakken beschrijven

Ik ben inmiddels weer een stapje verder in mijn onderzoek. Nadat ik nog eens goed naar alle structuren en sporen heb gekeken, heb ik moeten concluderen dat de houten structuren géén gebouwplattegronden zijn… (zie mijn vorige bericht).

Bij huisplattegronden zou men (verschillende) vloerlagen en andere sporen zoals haardplaatsen of zware palen verwachten. Dit heb ik niet aangetroffen. De houten structuren interpreteer ik nu als werven. Houten palenrijen die zijn aangelegd tijdens het ophogen van de grond.
Toen dit stuk grond in de late middeleeuwen in gebruik genomen werd, hebben de inwoners van Stavoren het stuk grond ingedeeld in ‘vakken’. Deze vakken zijn aangelegd in de vorm van rijen houten paaltjes en planken. Daarna zijn de vakken gevuld met allerlei ophogingslagen: klei, veen, mest, puin, etc. Vervolgens zullen bovenop de ophogingslagen wel gebouwen hebben gestaan, maar daar is helaas weinig van over.

Toch zijn mogelijk wel wat gebouwen te herkennen, maar daarover later meer.

Ondertussen ben ik nu bezig met het beschrijven van alle vlakken.  Hieronder een voorbeeld van een vlak. Relevante sporen hebben een nummer gekregen.

Gedigitaliseerde vlaktekening van vlak 2, put 15.
Gedigitaliseerde vlaktekening van vlak 2, put 15.